Zorgovereenkomst voor buitenland met 3,5 maal basistarief moet op schrift gesteld

Verbintenissenrecht: Indien de kosten van een tandheelkundige behandeling in Duitsland hoger zijn dan 3,5 maal het basistarief, is deze overeenkomst pas geldig indien op schrift vastgelegd.

Samenvatting annotatie mr. P.J.M. Ros onder Rechtbank Amsterdam 10 februari 2010, Prg. 2010/178 (LJN BN0311).

In deze zaak weigert een Nederlander de rekening van de Duitse tandarts te voldoen, omdat er kennelijk nog steeds sprake is van kiespijn. Er is hier sprake van rechtskeuze, omdat beide partijen stellen dat Duits recht van toepassing is op de behandelingsovereenkomst. Omdat de behandeling in 2005 heeft plaatsgevonden, is het zgn. EVO-Verdrag van 19 juni 1980 van toepassing en niet het huidige Rome I-Verdrag. Op 17 december 2009 heeft dit verdrag het EVO-verdrag vervangen. Het EVO-Verdrag is bij rechtskeuze toepasselijk op bepaalde internationale overeenkomsten, zelfs als men daarbij kiest voor het recht van een niet bij het verdrag aangesloten staat.

Voor internationale overeenkomsten, die tot 17 december 2009 zijn gesloten, hebben partijen zogenoemde wilsautonomie en kunnen zij bij internationale overeenkomsten kiezen welk recht daarop toepasselijk is. Indien er geen rechtskeuze wordt gemaakt, is het recht van toepassing van de staat waar de overeenkomst het nauwst mee verbonden is. Uitgangspunt daarbij is bijvoorbeeld de gewone verblijfplaats of de hoofdvestiging van de partij, die de voor de overeenkomst kenmerkende prestatie moet verrichten. Bij onroerend goed is evenwel het recht van toepassing van de staat waar het goed is gelegen. Ook met betrekking tot het vervoer van goederen, consumentenzaken en arbeidsovereenkomsten gelden afwijkende bepalingen.

Met ingang van 17 december 2009 is, zoals gezegd, de Rome I-Verordening in de plaats van het oude EVO verdrag getreden. Dit levert een aantal aanscherpingen op. Zo mogen partijen voortaan niet zonder meer kiezen voor het recht van een niet-lidstaat. Verder keert de kenmerkende prestatie terug als uitgangspunt als er geen rechtskeuze is gemaakt, maar niet langer als algemeen vermoeden van het land waarmee de overeenkomst het nauwst is verbonden. Als aanknopingspunt voor rechtskeuze wordt namelijk eerst gekeken naar art. 4, waarin een achttal specifieke overeenkomsten zijn benoemd. Pas als een overeenkomst niet binnen deze lijst valt, komt men toe aan de kenmerkende prestatie om een rechtskeuze te maken. In Rome- I is, evenals in het EVO-Verdrag, geen uitzondering gemaakt voor de geneeskundige behandelingsovereenkomst. In dat geval blijft dus de kenmerkende prestatie uitgangspunt, zodat de uitkomst in eerder genoemde zaak niet anders zou zijn geweest onder het regime van Rome- I.

Het volledige artikel is te raadplegen op www.kluwer.nl  (inloggen bij abonnementen), of neem contact op met ons kantoor.

Print Friendly, PDF & Email