Nieuwe grond voorlopige hechtenis niet in strijd met EVRM

Strafprocesrecht: Het wetsvoorstel ‘Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis’ is niet in strijd met art. 5 lid 1 en 3 en 6 lid 2 EVRM.

De regering heeft op 6 september 2012 een wetsvoorstel ingediend ter uitbreiding van het aantal gronden voor voorlopige hechtenis in art. 67a Sv. Op basis van een nieuwe grond kan ter voorkoming of beëindiging van maatschappelijke onrust voorlopige hechtenis worden opgelegd aan verdachten van bepaalde in de publieke ruimte of tegen publieke personen gepleegde strafbare feiten. De regering wil hiermee de slagvaardigheid van het strafrecht vergroten. Een gevolg van de nieuwe grond is dat zgn. first offenders vaker in voorlopige hechtenis kunnen worden genomen dan onder de huidige regeling. De duur van de voorlopige hechtenis onder de nieuwe grond is maximaal 17 dagen en 15 uur, de termijn voor toepassing van snelrecht. Voor toepassing van de nieuwe grond lijkt overigens niet daadwerkelijk sprake te hoeven zijn van maatschappelijke onrust.

Hoewel voorlopige hechtenis op grond van maatschappelijke onrust volgens sommige auteurs een te punitief karakter krijgt, is zij wel toelaatbaar op grond van jurisprudentie van het EHRM omtrent het recht op vrijheid in art. 5 EVRM. Hoewel er volgens het EHRM in beginsel sprake moet zijn van daadwerkelijke maatschappelijke onrust, lijkt dit niet te gelden voor een relatief korte voorlopige hechtenis (tot enkele maanden).

Evenmin is het wetsvoorstel in strijd met de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM. Hoewel juristen het er niet over eens zijn waar de grenzen van de onschuldpresumptie liggen, is iedereen het erover eens dat voorlopige hechtenis geen vergelding en het toebrengen van leed aan de verdachte mag beogen. Het wetsvoorstel is met dit standpunt in overeenstemming. Voorts vloeit uit jurisprudentie van het EHRM voort dat een voorlopige hechtenis, die in overeenstemming is met art. 5 EVRM, ook eerlijk in de zin van art. 6 lid 2 EVRM en dus niet in strijd met de onschuldpresumptie is.

Het wetsvoorstel ‘Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis’ is, gezien het bovenstaande, hoogstwaarschijnlijk niet in strijd met art. 5 lid 1 en 3 en art. 6 lid 2 EVRM.

Wilt u meer weten over dit item (dit is een samenvatting van de bachelorscriptie Nederlands Recht van D.L.P.J. Ros 2013 aan de VU te Amsterdam), neem dan vrijblijvend contact op met ons kantoor.

 

Print Friendly, PDF & Email