Eenmaal griffierecht voor verzoek faillissement vof en vennoten

Burgerlijk procesrecht: De schuldeiser die met met één verzoekschrift het faillissement van zowel een vof als beide vennoten wil bewerkstelligen, moet niet driemaal, maar eenmaal griffierecht betalen.

Samenvatting annotatie onder Rechtbank Rotterdam 8 januari 2016, Prg. 2016/82 m.nt. P.J.M. Ros (ECLI:NL:RBROT:2016:298).

In deze kwestie komt de advocaat van de verzoeker tot faillissement in verzet tegen de beslissing van de griffier om driemaal griffierecht te betalen voor een verzoek tot faillietverklaring van zowel de vof als de beide vennoten. De rechtbank wijst het verzet af. Ten onrechte en dat blijkt uit het volgende.

Het faillissement van een VOF heeft niet steeds het faillissement van de vennoten tot gevolg, vgl. Hoge Raad 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251. Dat dan ook driemaal griffierecht is verschuldigd, vindt geen steun in het recht.

Het genoemde arrest van de Hoge Raad is gewezen in het kader van het insolventierecht. Dat betekent dus niet dat ook voor wat betreft de Wgbz sprake is van drie aparte kwesties. Het arrest laat onverlet dat met één verzoekschrift meerdere faillissementen kunnen worden aangevraagd en dat de behandeling daarvan op één zitting plaatsvindt. Voor zover de zaken voldoende verband met elkaar houden, is het niet nodig meer dan één keer griffierecht te heffen. Die opvatting is ook te lezen in de wetsgeschiedenis en wordt verwoord in, onder meer, Rb. Zeeland-West-Brabant 16 november 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:7347. Ook de genoemde Hoge Raad 6 februari 2015 beveelt aan om samenhangende faillissementsverzoeken zoveel mogelijk tezamen afdoen en behandelen.

Criterium is dus niet dat sprake is van afzonderlijke procedures, maar of die procedures zich met het oog op de Wgbz lenen om gezamenlijk behandeld te worden in één verzoekschrift. In de onderhavige kwestie lijkt aan dat criterium te zijn voldaan, zodat de rechtbank het verzet gegrond had moeten verklaren. Een en ander is inmiddels door de Hoge Raad in een prejudiciële procedure met nagenoeg dezelfde argumentatie bevestigd, vgl. Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1515.

De volledige annotatie met aanvullende jurisprudentie is te raadplegen onder Rechtbank Rotterdam 8 januari 2016, Prg. 2016/82 m.nt. P.J.M. Ros (ECLI:NL:RBROT:2016:298) of neem contact op met ons kantoor.

Print Friendly, PDF & Email