Nederlandse rechter moet Duitstalige eenvoudige stukken zelf kunnen beoordelen

Burgerlijk procesrecht: Voor de draagkrachtberekening in een alimentatiekwestie hoeft geen acht te worden geslagen op moeilijk leesbare Duitse stukken zonder beëdigde. Terecht of niet?

Samenvatting annotatie onder Hof Amsterdam 4 augustus 2015, Prg. 2015/268 m.nt. P.J.M. Ros (ECLI:NL:GHAMS:2015:3199).

Ex art. 1.1.11 van het landelijke Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven (versie 140101) hoeft alleen van eenvoudig leesbare in een andere taal opgestelde stukken geen beëdigde vertaling te worden overgelegd. In deze kwestie had de man Duitstalige belasting- en winstberekeningen ingediend. In een vergelijkbare kwestie heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het eisen van een beëdigde vertaling aan de feitenrechter voorbehouden is, zie Hoge Raad 28 september 2012, NJ 2012/550 (ECLI:NL:HR:2012:BW7473).

In de onderhavige kwestie zijn partijen EU-ingezetenen en het gerechtshof Amsterdam is toch ook een Europese rechter. Daarvan mag volgens ons worden verwacht dat hij een Duitstalige aangifte of aanslag inkomstenbelasting en winstberekening kan beoordelen; het gaat om de cijfers. Als de rechter er zelf toch echt niet uit komt, is het in familiezaken gebruik om de zaak in ieder geval aan te houden voor nader onderzoek. De man komt er dus bekaaid vanaf: kennelijk eenvoudige, valide, in een Europese taal opgestelde stukken worden ter zijde geschoven en er is geen beroep mogelijk bij een hogere feitenrechter. Bovendien is in art. 1.1.11 Procesreglement geen kenbare sanctie bepaald. Verder lijkt de houding van het hof geen recht te doen aan art. 6 EVRM en het huidige deformaliseringsproces van het burgerlijk procesrecht (de zgn. KEI-veranderingen).

Uit de Conclusie A-G vóór Hoge Raad 10 juni 2011, NJB 2011/1273 (ECLI:NL:PHR:2011:BP8687) en de Conclusie A-G vóór Hoge Raad 28 september 2012, NJB 2012/2114 (ECLI:NL:PHR:2012:BW7473) valt af te leiden dat stukken die vooral uit cijfertjes bestaan niet zonder meer onder de vertalingsplicht vallen. Die stukken lenen zich dus zeker in familiekwesties in hoger beroep, zo nodig voor ambtshalve aanhouding tot vertaling. Een volgens een bepaald stramien opgebouwd stuk in een veel gesproken vreemde taal, is immers eenvoudig leesbaar. Het hof slaat daarop geen acht, zodat sprake kan zijn van een kennelijk motiveringsgebrek. Bovendien lijkt een volledige alimentatieberekening niet mogelijk zonder de door het hof ter zijde geschoven stukken.

De volledige annotatie met aanvullende jurisprudentie is te raadplegen onder Hof Amsterdam 4 augustus 2015, Prg. 2015/268 m.nt. P.J.M. Ros (ECLI:NL:GHAMS:2015:3199) of neem contact op met ons kantoor.

Print Friendly, PDF & Email