Moeder wilde kinderen gelijk bedelen, dus zo moet legaat worden uitgelegd

Erfrecht: Als een ouder alle kinderen gelijk heeft willen bedelen, moet ex art. 4:46 BW een legaat niet zo worden uitgelegd dat een van de kinderen een negatief vermogen krijgt. Over de uitleg van een testament.

Samenvatting annotatie onder Hof Arnhem-Leeuwarden (zittingsplaats Leeuwarden) 5 april 2016, Prg. 2016/142 m.nt. P.J.M. Ros (ECLI:NL:GHARL:2016:2718).

In deze zaak was onenigheid over de uitleg van een wilsbeschikking. Volgens de rechtbank moest deze aldus worden begrepen dat de dochter, een van de erfgenamen, de omvang van een door haar afgeloste hypotheeklening wel mocht inbrengen in een legaat met woning. Een kwestie van interpretatie van het testament.

Voor de uitleg van een testament geldt art. 4:46 lid 1 BW en niet het ‘Haviltex- criterium’. Hoge Raad 22 januari 1965, NJ 1966/177 (ECLI:NL:HR:1965:AC4536) duidt de – omstreden – maatstaf van art. 4:46 lid 1 BW. Als criterium geldt dat gelet moet worden op de verhoudingen die de erflater met het testament wilde regelen en de omstandigheden ten tijde van het maken van de uiterste wil. Bij de uitvoering van een testament gaat het enerzijds om de wil van de erflater op het moment van passeren en anderzijds om de rechtsgevolgen daarvan. Alleen bij die rechtsgevolgen kunnen de redelijkheid en billijkheid een rol spelen. In deze annotatie ligt de nadruk op de wil van de erflater.

Blijkens Hoge Raad 8 februari 2013, NJ 2013/238 (ECLI:NL:HR:2013:BY2595) is de grammaticale betekenis van een testament dus niet zonder meer bepalend. Uit andere arresten volgt dat ook moet worden gelet op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt en de feitelijke kennis van de notaris op het moment van opstellen. Bij de uitleg van een testament mag verder alleen acht worden geslagen op toekomstige omstandigheden als de erflater dat zo heeft gewild. De Hoge Raad spreekt daarmee in wezen tegen hetgeen hij bepaalde in Hoge Raad 3 december 2004, NJ 2005/58 (ECLI:NL:HR:2004:AR0196) m.nt. Kleijn.

In de literatuur wordt de tekst van art. 4:46 lid 1 BW meer dan eens als weinig flexibel bestempeld. In Rb. Haarlem 19 maart 2008, NJF 2008/374 (ECLI:NL:RBHAA:2008:BD5329), is in dat kader bepaald dat het criterium in art. 4:46 lid 1 BW “de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt” ruim moet worden uitgelegd. Deze is door hof en Hoge Raad in stand gelaten.

Art. 4:46 lid 1 BW hoeft onzes inziens niet te worden aangepast. Veel uitlegproblemen kunnen immers worden voorkomen door de notaris. Hij kan de beweegredenen van de erflater in het testament uitgebreid omschrijven en ook hoe met eventuele onverwachte wijzigingen in de toekomst moet worden omgegaan. Desnoods kunnen alle schriftelijke stukken die tussen notaris en erflater zijn uitgewisseld bij het testament worden gevoegd. Op dat punt geldt geen enkele beperking.

Overigens, als het testament nog is opgesteld onder de regels van het oude BW, moet het ook worden uitgelegd overeenkomstig art. 4:46 lid 1 BW (art. 68a Overgangswet NBW).

De volledige annotatie met aanvullende jurisprudentie is te raadplegen onder Hof Arnhem-Leeuwarden (zittingsplaats Leeuwarden) 5 april 2016, Prg. 2016/142 m.nt. P.J.M. Ros (ECLI:NL:GHARL:2016:2718) of neem contact op met ons kantoor.

Print Friendly, PDF & Email