Wet Van Dam geldt nog niet voor overeenkomsten van vóór 01-12-11

Consumentenrecht: Wet Van Dam (art. 6:236 onder j BW) geldt nog niet voor overeenkomsten van vóór 1 december 2011.

Samenvatting commentaar onder Rechtbank Overijssel (kantonrechter Almelo) 2 april 2013,
Prg. 2013/242 (ECLI:NL:RBOVE:2013:BZ6588).

De kantonrechter heeft in onderhavige zaak bepaald dat art. 6:236 onder j BW (nieuw) sinds 1 december 2011 ook van toepassing is op overeenkomsten, die op die datum reeds van kracht waren. Er zijn echter aanwijzingen dat dit niet het geval is.

In het algemeen komt de wettelijke regeling in art. 6:236 onder j BW erop neer dat een duurovereenkomst in consumentenzaken voor aflevering van zaken of diensten niet meer voor onbepaalde tijd mag worden verlengd, tenzij de afnemer een opzegtermijn van een maand wordt geboden. Voor kranten en tijdschriften geldt een alternatieve regeling. Voorts heeft de consument het recht om op een door hem zelf gekozen moment op te zeggen en mag hij opzeggen op dezelfde manier waarop de overeenkomst is aangegaan.

De wet Van Dam (waarbij art. 6:236 onder j BW is gewijzigd), bepaalt slechts dat de wet na dertien maanden in werking treedt. Op grond van een wetshistorische interpretatie oordeelt de kantonrechter echter dat sprake is van zgn. impliciet overgangsrecht, blijkend uit de memorie van toelichting. Kennelijk is er een discrepantie tussen tekst en toelichting. De tekst van de wettelijke regeling heeft niet zonder meer voorrang op de toelichting, maar in ieder geval wel, indien de tekst in de regeling volstrekt duidelijk is. Bij onduidelijkheid moet de rechter interpreteren. Men kan dan weliswaar kritiek hebben op de uitkomst van de interpretatie van de regeling door de kantonrechter in deze kwestie, maar bedacht moet worden dat de rechter ingevolge het Harmonisatiewetarrest een wettelijke regeling niet mag toetsen aan bijvoorbeeld het rechtszekerheidsbeginsel. Dat de Wet Van Dam zelf kennelijk onduidelijk is, staat dus in ieder geval niet in de weg aan interpretatie en toepassing van de wet door de rechter.

Er zijn echter twee redenen op grond waarvan de kantonrechter de plank heeft misgeslagen door overgangsrecht impliciet in de (toelichting bij de) regeling in te lezen.

Ten eerste is het overgangswetgevingstraject in het kader van de Wet Van Dam nog steeds niet afgerond. Na publicatie van de wet in het Staatsblad ontstond er verwarring of de wet wel voorzag in voldoende overgangsrecht. Om die verwarring weg te nemen, heeft de indiener een reparatiewet ingediend. Deze reparatiewet neemt de verwarring echter niet weg. Bovendien ziet het er niet naar uit dat de Eerste Kamer, waar het wetsvoorstel thans nog ligt, het wetsvoorstel aan zal nemen.

Ten tweede volgt uit Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1244 dat geldig overgangsrecht enkel bij wet kan worden bepaald en dus niet (impliciet) kan volgen uit de memorie van toelichting.

Het volledige artikel is te raadplegen bij Kluwer (inloggen bij abonnementen), of neem contact op met ons kantoor voor meer informatie.

Print Friendly, PDF & Email