Banken moeten consument sinds 1 januari 2013 uit zichzelf informeren hoe hun rentepercentage is opgebouwd

Samenvatting annotatie onder Rb. Amsterdam 19 oktober 2018, Prg. 2019/14 m.nt. P.J.M. Ros (ECLI:NL:RBAMS:2018:8190).

Twee eigenaren van een woning stellen ten minste € 22.575,08 aan renteschade te hebben geleden, omdat zij volgens hen ten onrechte 6 jaar lang (2000 – 2006) een risico-opslag van 0,7% aan ABN Amro Bank hebben betaald, bovenop hun hypotheekrente. De eigenaren menen dat die opslag helemaal niet nodig was geweest, omdat de waarde van hun woning sinds 2000 alleen maar is toegenomen. Bovendien heeft de bank hen niet over de opslag geïnformeerd.

De kantonrechter overweegt dat de bank pas sinds 1 januari 2013 is gehouden om consumenten uit zichzelf te informeren over de componenten van de aangeboden rentepercentages, zie art. 59aa Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Onvoldoende is de enkele publicatie van de tarieven en de gehanteerde risicoklassen op de website van de bank. De kantonrechter beslist dat partijen zich nog kunnen uitlaten over hun daadwerkelijk geleden schade.

Genoemd art. 59aa Besluit stelt niet de voorwaarde aan de bank om bij een herfinanciering telkens de nieuwe actuele (executie)waarde te bepalen. Die is echter wel van invloed op het mogelijke opslagpercentage. Het is dus aan de consument zelf om hierover zo nodig actie te ondernemen en na te gaan of die opslag nog wel beantwoordt aan de verhouding tussen de lening en de executiewaarde van het pand.

De kantonrechter is in deze kwestie – volgens ons terecht – van oordeel dat de bank de consument ook tussentijds bij een herfinanciering uit zichzelf moet informeren over de componenten van de rentepercentages. Ktr. Utrecht 19 juli 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:3780 meent evenwel van niet en is van oordeel dat art. 59aa Besluit louter van toepassing is bij het afsluiten van de eerste, principale hypotheekovereenkomst.

Dit laatste evenwel lijkt in strijd te zijn met (de bedoeling van onder meer ) art. 4:20 lid 1 Wft. Daarin is bepaald dat de informatieverstrekking noodzakelijk is voorafgaand aan de ‘totstandkoming van een (curs. van ons) overeenkomst inzake een financieel product’. Bovendien volgt uit de wetsgeschiedenis dat de consument telkens een adequate beoordeling moet kunnen maken om zijn uiteindelijke keuze te kunnen verantwoorden, vgl. Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 19, p. 509-510 (MvT).

Meer informatie over de verplichtingen van de bank? De volledige annotatie met aanvullende jurisprudentie is te raadplegen onder Rb. Amsterdam 19 oktober 2019, Prg. 2019/14 m.nt. P.J.M. Ros (ECLI:NL:RBAMS:2018:8190) of neem contact op met ons kantoor.

Print Friendly, PDF & Email